|
De Gentse bisschop Luc Van Looy verklaarde
voorstander te zijn van samenwerking tussen kerk
en staat en wel door een open en vrije dialoog.
Na de ophefmakende uitspraken van kardinaal
Godfried Danneels in zijn kersthomilie over
euthanasie is de verhouding tussen kerk en staat
opnieuw actueel. Opdat die dialoog niet
vrijblijvend zou verlopen, kan men zich de vraag
stellen of het geen tijd is voor spijkerharde
afspraken, zoals die traditioneel in een
zogenaamd concordaat werden en worden vastgelegd.
Het lijkt de moeite dat van dichterbij te
bekijken, stelt Pastoor Luc De Maere in De Tijd, van 28 december 2005 onder de titel België heeft nood aan nieuw concordaat.
Wij publiceren dit artikel als documentatie omwille van zijn scherpe analyse, zoals het past op deze webstek, zonder ons uit te spreken over de grond van deze kwestie.
De term concordaat is bij ons vooral bekend van
de overeenkomst die Napoleon in 1801 sloot met de
toenmalige paus. Maar als bindend verdrag van
internationaal recht gaat het terug tot het begin
van de twaalfde eeuw en leeft het door tot op de
dag van vandaag, getuige recente concordaten met
onder andere Polen, enkele Duitse länder en
Portugal, om op Europese bodem te blijven.
De Belgische grondwet heeft maar weinig
overgenomen van het oude napoleontische
concordaat, dat onder andere kerkelijke
benoemingen van de staat afhankelijk maakte.
Enkel het artikel dat een staatswedde regelde
voor de bedienaren van de eredienst en dat een
compensatie was voor het tijdens de Revolutie
onteigende kerkelijke patrimonium staat tot
vandaag in de grondwet.
Is er in die context dan niet voldoende plaats
voor een open en vrije dialoog tussen kerk en
staat? Henry Wagnon, een groot kerkelijk
specialist terzake, verklaarde in 1971 nog
tijdens een internationaal colloquium, dat voor
hem het afsluiten van een concordaat niets
noodzakelijks had en dat er staten waren —
waaronder België — waar zulk een verdrag
overbodig was. De reden daarvoor was volgens hem
dat zij aan het kerkelijk gezag een voldoende
autonomie toekenden, het respecteerden en het
spontaan voordelen toestonden die niet
noodzakelijk via een formeel bilateraal akkoord
zouden kunnen worden bedongen.
Status-quo onzeker
Grondige verschuivingen in politiek landschap én
levensbeschouwelijke constellatie maken echter
dat de status-quo niet langer zeker is. Van
kerkelijke zijde kan men zich afvragen of het wel
goed is, zich te verschansen achter de bestaande
regeling. Ze was als zodanig misschien vrij
gunstig voor de katholieken en hun instellingen.
Ze kan nu wel, onder invloed van een totaal
nieuwe situatie waarop de kerkelijke autoriteiten
nauwelijks of geen vat hebben, van de ene dag op
de andere wijzigen, zonder dat men op dat moment
nog de juridische middelen zou hebben om er
gepast op te kunnen reageren.
De pijnpunten liggen op verschillende vlakken. De
voornaamste lijken mij: de erkenning van de
diplomatieke status van de Heilige Stoel; de
onduidelijke betekenis van het lekenkarakter van
de staat en zijn instellingen; de problemen rond
uitzendtijd in de media; de aanstelling van
aalmoezeniers in ziekenhuis, leger en gevangenis;
het respecteren van zon- en feestdagen; de
overheidsbemoeienis met katholieke instellingen
als ziekenhuizen (bio-ethische kwesties) of
scholen (levensbeschouwelijk pluralisme); de
financiële positie van de clerus inzake wedde en
pensioenregeling; het mordicus samenhouden van
burgerlijk en kerkelijk huwelijk, ofschoon beide
allang niet meer dezelfde lading dekken;
enzovoort.
Misschien niet meteen alles, maar toch veel kan
in zulk een akkoord tot een aanvaardbare
oplossing worden gebracht. Tijdens een
diplomatieke conferentie die in december 2001 in
Rome gehouden werd, kwamen drie scharnieren ter
sprake: de erkenning van de specificiteit van de
kerk, die op gelijke voet dient behandeld te
worden als de staat; de aanvaarding dat een
regime van scheiding tussen kerk en staat geen
scheiding tussen kerk en samenleving mag
meebrengen; de zienswijze dat de kerk een dienst
betekent aan het geheel van de samenleving.
Het tweede Vaticaans concilie heeft duidelijk
gemaakt dat de kerk geen privileges zoekt. Waar
het de kerk vandaag bovenal om gaat, is vrij te
zijn om ten volle gestalte te kunnen geven aan
haar opdracht midden de burgerlijke samenleving,
zoals het in de Verklaring van Vaticanum II over
de godsdienstvrijheid staat. Beide staan in
dienst van de menselijke persoon en zullen dus
wegen dienen te zoeken van onderlinge
samenwerking, ook op institutioneel niveau.
De scheiding van kerk en staat komt echter niet
in het gedrang. Evenmin de gelijkberechtiging van
levensbeschouwelijke stromingen. Ook de Heilige
Stoel dringt niet aan op een confessionele staat.
Integendeel, Vaticanum II heeft zeer duidelijk
gevraagd om godsdienstvrijheid als een algemeen
recht van alle burgers en alle
levensbeschouwelijke groeperingen. Ook de andere
van overheidswege erkende godsdiensten en
filosofieën worden van een goed akkoord met de
katholieke godsdienst alleen maar beter, op grond
van het reeds genoemde principe der
gelijkberechtiging, dat trouwens gesanctioneerd
werd door het 12de aanvullend protocol bij het
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
Wat vandaag nog onaantastbaar mag lijken, zal dat
morgen of overmorgen niet meer zijn. Alleen al de
numerieke verhoudingen tussen de
levensbeschouwingen in het land zijn zozeer aan
verschuivingen onderhevig, dat het voor
kerkelijke instanties ook vandaaruit duidelijk
zou moeten zijn dat het tijd is om in actie te
schieten. De situatie smeekt gewoon om een
duidelijker omschrijving van de wederzijdse
verhoudingen. Zelfs een goed deelakkoord zou
beter zijn dan voortdurend gekibbel.
Een laatste vraag is, uiteraard, of de kerk in
deze materie noodzakelijk met de federale
overheid tot een akkoord moet komen. De
deelstaten beschikken bij ons immers ook over
verdragsrecht en de kerk erkent zulke
mogelijkheid, ook al zou dat uiteindelijk tot de
splitsing van de Belgische kerkprovincie kunnen
leiden. Los echter van het federaal-of-regionaal
vraagstuk, is het dé vraag of een eerste stap te
verwachten is van de Belgische
bisschoppenconferentie, die sowieso een
eersterangsrol zou moeten spelen in dit dossier.
De auteur is doctor in kerkelijk recht en pastoor van Sint-Jacob in
Antwerpen. |