|
De redactie van het weekblad Elsevier begint een van zijn artikels in de sectie genetica, op 23 april 2005, met de volgende stelling: 'Menigeen
dacht de afgelopen decennia dat religie gedoemd was om uit te
sterven. Nee dus. De biologie biedt een verklaring waarom gelovigen
geloven'. Dit opiniestuk is weliswaar geen dogma, maar toch leuk om te lezen.
Het heeft iets merkwaardigs : jonge mensen die in God geloven. Dag in dag uit waren ze rond de dood van de Paus op de televisie te zien. En het gekke was dat zeer nog tamelijk normaal uitzagen ook. De afgelopen decennia waren er bij de EO (Evangelische Omroep red.) weliswaar ook jongeren te zien die geloofden. maar die oogden toch allemaal, om het voorzichtig te formuleren. een tikje uit-de-klei-getrokken. Niet het type dat je in de grand cafés van Rotterdam of New York tegenkomt.
Heel veel verlichte intellectuelen. vooral in Nederland - een van de minst religieuze landen ter wereld - hebben de afgelopen decennia gedacht dat het gedaan was met religie. Geloof, dat was iets van onze ouders en grootouders. Wij, goed opgeleide, zelfstandige, kritische denkers, hadden niet alleen de wandelstok van het geloof niet nodig, nee, wij wisten zeker dat het geloof ten dode opgeschreven was in het tijdperk van Verlichting, rationaliteit en evolutietheorie. Wie had er nog behoefte aan een god of een Jezus, wanneer je de beschikking had over Darwin en Einstein?
Maar het was een misvatting. Het geloof is niet dood maar springlevend. Het ten dode opgeschreven CDA zit nog steeds op de troon, een punkkapsel blijkt zich goed te laten combineren met een kruis om de nek, en jongeren huilen oprecht ogende tranen op het Sint-Pietersplein.
Hoe kan dat?
Laten we wel zijn. het is immers nogal onwaarschijnlijk dat er echt een god bestaat Natuurlijk, het valt niet uit te sluiten. maar in het licht van alles wat de wetenschap de afgelopen eeuwen aan het licht heeft gebracht, ligt het meer voor de hand dat erin de oersoep een ongerichte chemische en biologische evolutie heeft plaatsgehad en dat bij dat proces geen katalysator nodig was in de vorm van een Opperwezen.
Waarom blijven mensen dan toch hardnekkig in de een of andere god geloven?
Voorgeprogrammeerd
Een interessante veronderstelling is dat religie in de menselijke biologie zit. Dat het door middel van de genen, het erfelijk materiaal, is voorgeprogrammeerd.
Daar zijn aanwijzingen voor. Het staat verre van vast, maar het wordt steeds waarschijnlijker. De Amerikaanse geneticus Dean Hamer zette die aanwijzingen vorig jaar op een rij in het boek The God Gene. Op dat boek kwam vrij veel kritiek vanuit de wetenschappelijke wereld. Een aanmerking was dat er nooit zoiets als hét religie-gen zal bestaan.
De moderne genetische wetenschap, overigens braaf uiteengezet door diezelfde Dean Hamer in zijn boek Living with our Genes, leert dat er maar weinig genen zijn die zo'n dominante invloed hebben dat ze 'het gen van..' kunnen worden genoemd. Ze zijn er wel, het gen bijvoorbeeld dat de oogkleur bepaalt of genen die sommige ziekten veroorzaken, maar ze zijn in de minderheid.
Het overgrote deel van de genen heeft slechts een kleine invloed op een bepaalde eigenschap en bepaalt daarnaast ook andere kenmerken. Zoiets als intelligentie bijvoorbeeld wordt vermoedelijk door tientallen. misschien wel honderden, zo niet duizenden genen beïnvloed. Ze dragen stuk voor stuk een klein beetje bij, maar bij elkaar verklaren ze waarom de ene persoon slim is en de andere niet.
Zo zit het vermoedelijk ook met religie. Het god-gen, hét religie-gen dat bepaalt of een persoon religieus is of niet, bestaat niet. Veel waarschijnlijker is dat er een constellatie van erfelijke factoren bestaat die de geneigdheid tot geloven stuurt. Vermoedelijk hebben al die 'religie-genen' ook een invloed op andere karaktertrekken - daarom is het begrip religie-gen misplaatst: volgzaamheid wellicht, empathie, enzovoorts.
Dat al die genen gezamenlijk een invloed hebben op de neiging om in God te geloven, lijkt de afgelopen jaren waarschijnlijker. Zo werd onlangs in de Journal of Personality bericht over tweelingenonderzoek aan de universiteit van Minnesota in Minneapolis (Verenigde Staten). Aan een paar honderd een- en twee-eiige tweelingen was gevraagd hoe hun religieuze belevenis was, hoe vaak ze naar de kerk gingen, 's avonds voor het slapen gaan knielden. enzovoorts. Welnu, er was een veel duidelijker overeenkomst tussen de een-eiige dan tussen de twee-eiige tweelingen. Omdat een-eiige tweelingen 100 procent van hun genen delen en twee-eiige maar de helft, duidt dit op een belangrijke invloed van genen.
Buiten kijf staat dat de mens het enige dier is dat in God gelooft. Daar moet een biologische reden voor zijn. De genetische aanleg tot religiositeit lijkt een evolutionair voordeel te hebben. Welk ?
Identiteit
Wie in de literatuur duikt, komt met verschillende antwoorden terug. De Canadese neurowetenschapper Esther Sternberg, werkzaam aan het Amerikaanse National Institute of Mental Health, suggereert in haar boek The Balance Within dat geloof zoiets is als meditatie en yoga: je wordt er rustig van. Daarvoor zijn verschillende mechanismen aan te geven. In de eerste plaats de letterlijke overeenkomst tussen meditatie en bidden: je bent in een stille omgeving. afgesneden van al het hedendaags rumoer over hypotheken, files en terrorisme en je kunt aldus tot jezelf komen. Daarnaast biedt religie een identiteit In een steeds onzekerder wereld waar steeds meer mensen zichzelf de vraag stellen: 'Wie ben ik eigenlijk?' vermeerdert bet geloof het aantal antwoorden op die vraag: ik ben een Feyenoord-supporter. ik heb kinderen. ik ben lid van een tennisclub, enzovoorts. De wetenschap dat men christen of moslim is, kan bijdragen aan een gevoel van zelfvertrouwen.
Ook zou geloof helpen om de tegenslagen in het leven de baas te kunnen. Iedereen wordt op een gegeven moment geconfronteerd met gebeurtenissen die moeilijk te plaatsen zijn, zoals de sterfte van naasten en geliefden. Waar ongelovigen dat op eigen kracht moeten verwerken en daar niet zelden depressies of andere trauma' s aan over houden, kunnen gelovigen achterover leunen en denken: hier zit een bedoeling achter. God heeft het zo gewild en de naaste dan wel geliefde heeft het nu beter dan hier in dit aardse tranendal. Troost dus.
Ultieme ontspanning
Esther Sternberg concludeert in haar boek dat als je deze verklaringen combineert, het denkbaar wordt dat het geloof via het wegnemen van stress hormonen zoals adrenaline beïnvloedt. Van dergelijke stresshormonen is bekend dat ze de afweer tegen ziekten verminderen. Geloof zou volgens deze benadering letterlijk de ultieme ontspanning zijn.
Als deze verklaringen kloppen, zouden gelovigen door de bank genomen ietwat gezonder zijn. Volgens sommige onderzoekers is dat inderdaad zo. Vooral Harold Koenig van de Amerikaanse Duke University heeft diverse studies verricht waaruit naar voren komt dat gelovigen minder vaak ziek zijn en minder vaak in ziekenhuizen worden opgenomen dan niet-gelovigen. Als dit inderdaad zo is, dan hebben gelovigen onmiskenbaar een evolutionair voordeel.
Daarnaast is er nog een verklaring waarom religie een genetisch aspect zou kennen. Edward O. Wilson, de grondlegger van de sociobiologie, de wetenschappelijke discipline die de menselijke aard probeert te verklaren met behulp van biologie, geeft in zijn boeken Sociobiology en On Human Nature, een groepsverklaring. Hij denkt dat er niet alleen op bet individuele maar ook op het collectieve niveau een evolutionair voordeel is. Groepen mensen die geloven, zouden een hechtere groep vormen. Volgens Wilson is er meer cohesie, gehoorzaamheid en hiërarchie binnen groepen waarin veel gelovigen voorkomen.
Ook de hormonale rebelsheid van jonge mannen zou beter gecontroleerd kunnen worden wanneer die jongelui de waarden en normen van een geloof met de paplepel hebben binnengekregen. Wilson: 'Religie is meer dan alles het proces waarbij individuen worden overgehaald om hun eigen belangen op te offeren voor het belang van de groep.'
Ook dit kan een krachtig evolutionair effect hebben: groepen die hechter zijn, zullen meer succes hebben bij de jacht en andere aspecten van het economische bestaan. Ook zullen ze schermutselingen met andere groepen eerder tot een goed einde weten te brengen.
Met andere woorden, het is niet ondenkbaar dat de mensheid in de afgelopen honderdduizenden jaren zoveel voordelen heeft ondervonden van het geloof in een of meer opperwezens, dat de neiging tot geloven zich in het menselijk lichaam heeft geworteld. Zoals Edward Wilson zijn hoofdstuk over religie in On Human Nature begint: 'De aanleg tot religieus geloven is de meest complexe en sterkste kracht in de menselijke geest en is zeer waarschijnlijk een onuitroeibaar deel van de menselijke natuur.'
Geloof in een god is een vorm van zinsbegoocheling maar het heeft zoveel voordelen. zowel voor het individu als voor de groep, dat het diep in ons zit en er vermoedelijk niet meer uit te krijgen is. |