• Nederlands
  • Français

In 't kort

Ideeën hebben we genoeg bij DvDoc, maar we missen medewerkers: meldt u aan en Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken ons om lid te worden en actief deel te nemen aan de ontwikkeling van deze website,
 

Webboekhandel


Toon alle producten


Uitgebreid Zoeken
Bekijk Mandje
uw mandje is momenteel leeg.

RSS abonnement


Startpagina arrow Artikels arrow Nieuws arrow Brief van een opa aan zijn kleindochter

Brief van een opa aan zijn kleindochter Afdrukken E-mail
Geschreven door José María Brosa   
maandag 16 juni 2008
Een man schreef onlangs een brief aan zijn kleindochter van dertien als antwoord op enkele essentiële vragen. Ik vind het antwoord zeer knap en nuttig ook voor andere (groot)ouders en opvoeders. Met toestemming van de auteur, publiceren we de tekst hieronder. De naam Anna is fictief en de afgebeelde personen zijn anderen.

Image 

Lieve Anna,

 Je stuurde me een e-mail met vragen uit de lessen levensbeschouwing waarover je ook graag mijn visie wilde kennen. Ik zal dat met veel plezier doen en hoop dat je er iets mee kunt. Als je meer uitleg wilt of nog andere vragen hebt; je weet me te vinden.

 Eerst nog even je vragen herhalen om zeker te zijn dat ik er geen oversla. Hier zijn ze:

1. Wat is belangrijk in het leven ?

2. Wie is de mens?

3. Wat is een goede samenleving?

4. Wat is de betekenis van lijden en dood?

5. Wat is tijd?

6. Wat is de natuur?

 Ik wil je tweede vraag als uitgangspunt nemen om je vragen te beantwoorden, omdat het verstaan van wie en wat de mens is, fundamenteel is en mede bepalend voor het antwoord op je andere vragen en voor nog velen meer dan die.

 De mens is tegelijkertijd een lichamelijk en geestelijk wezen, geschapen naar het beeld van zijn Schepper, God. Het Oude Testament brengt deze werkelijkheid tot uiting in een symbolisch taalgebruik: “God boetseerde de mens uit stof, uit de aarde genomen en blies hem de levensadem in de neus; zo werd de mens een levend wezen” (Genesis 2, 7). De mens is dus door God gewild. En ook: “En God schiep de mens als zijn beeld; het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hem” (Genesis 1, 27).

Man en vrouw zijn geschapen, d.w.z. gewild door God: in een volmaakte gelijkheid als menselijke persoon en verschillend (maar nog steeds gelijkwaardig) in hun respectievelijke man- en vrouwzijn. Beiden, man en vrouw, hebben een waardigheid die zij niet kunnen verliezen en die zij direct van God hun Schepper krijgen.

Voor een goed begrip vragen een viertal punten wat uitleg. Geest, lichaam, schepping en beeld van God.

- De term “geestelijk wezen, ziel” staat voor het menselijk leven, voor de hele menselijke persoon. Het geeft ook aan wat het diepste wezen van de mens is, het meest waardevolle, waardoor hij in het bijzonder Gods’ beeld is. “Ziel “ betekent het geestelijk beginsel in de mens. De ziel wordt door God rechtstreeks geschapen bij de conceptie; zij wordt niet “voortgebracht” door de ouders. De ziel is onsterfelijk. Zij vergaat niet na haar scheiding van het lichaam bij de dood en zal zich opnieuw daarmee verenigen bij de uiteindelijke verrijzenis.

- Het lichaam van de mens heeft deel aan de waardigheid van “het beeld van God”. Het is een menselijk lichaam, precies omdat het bezield wordt door een geestelijke ziel. We mogen daarom het lichamelijk leven niet minachten. Het is door God bestemd om te verrijzen op de laatste dag. Ziel en lichaam vormen in de mens één natuur.

- Schepping. Het woord schepping moeten we verstaan in zijn werkelijke betekenis, dat is: uit het niets in het bestaan brengen, niet dus een transformatieproces waarbij iets ontstaat door één of meerdere zaken te veranderen; bijvoorbeeld uit een boom een mast voor een zeilboot maken. Schepping zo verstaan is een handeling die de mens niet kan, alleen God kan scheppen. Hij schenkt ieder van ons het bestaan.

- Geschapen naar het beeld van God. Van alle zichtbare schepselen is alleen de mens in staat God te kennen en lief te hebben; hij is het enige schepsel op aarde dat om zichzelf

door God is gewild; hij alleen is geroepen door kennis en liefde te delen in het leven van God; hij is met dit doel geschapen en dit is de diepste grond van zijn waardigheid. Omdat elk menselijk individu geschapen is als beeld van God, heeft iedere mens de waardigheid van een persoon. Hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij kan zichzelf kennen, zichzelf in vrijheid geven en in contact treden met anderen. De mens is het enige wezen in de zichtbare wereld met een vrije wil en een verstand. En bovendien met het vermogen tot een persoonlijke betrekking met God. Hij is geroepen Hem een antwoord te geven op Zijn uitnodiging deel te nemen aan Zijn eigen inwendig goddelijk leven. Niemand anders dan wijzelf kan dit antwoord geven.

 
Je eerste vraag is hiermee al gedeeltelijk impliciet beantwoord: Wat is belangrijk in het leven? Nog scherper: Wat is het belangrijkst in jouw leven, in mijn leven?

Het belangrijkst is te ontdekken - en dat ook te willen ontdekken - met al je kunnen, wat de zin van je leven is. Waarom besta ik? Waar ga ik naar toe? Anders gezegd: wat is de werkelijkheid, wat is de objectieve waarheid? Met dat laatste bedoel ik de absolute waarheid, niet afhankelijk van de wil van een individu of een groep die bepaalde eigen belangen najaagt. Dat is vaak een subjectieve waarheid die morgen weer een andere kan zijn, afhankelijk van wat dan in de mode is.

Je begrijpt het gaat om een aan de mens geopenbaarde waarheid die ons door God is verteld door zijn Zoon, Jezus Christus, die daarvoor de menselijke natuur heeft aangenomen in de schoot van de maagd Maria. Zo heeft God gewild dat wij, mensen, kennis kunnen hebben van de waarheid. Immers God is Waarheid, Hij kan niet bedriegen. Het is deze waarheid die ons door de apostelen is overgeleverd in woord en geschrift, en bewaard en doorgegeven door de universele Kerk, door Christus voor dat doel gesticht.

 
Wat is de betekenis van lijden en dood? Niet zo’n gemakkelijke vraag!

Lijden is iets dat veel omvattender is dan ziekte; het is veel ingewikkelder en ook veel dieper in het mens-zijn zelf geworteld. Een eerste onderscheid is te maken tussen fysiek lijden en moreel lijden. Fysiek lijden als het lichaam pijn ervaart, terwijl moreel lijden een “pijn van de ziel” is. Dit laatste niet opgevat als met fysiek lijden gepaard gaand psychisch lijden, maar pijn van spirituele aard. (Pijn en lijden worden hier als synoniemen gebruikt). Er zijn vele voorbeelden van lijden, denk maar aan pijn, verdriet, teleurstelling, verslagenheid, zelfs wanhoop. Je kunt zeggen dat de mens lijdt als hij om het even welk kwaad ondervindt. Hier gebruiken we kwaad als een synoniem van lijden. Je kunt dan de vraag stellen: Wat is het wezen van kwaad? Deze vraag: wat is kwaad, is eigenlijk niet te onderscheiden van het begrip lijden.

Het christelijk antwoord daarop stelt dat het bestaan goed is; dat alles wat bestaat goed is, immers alles dat bestaat, bestaat alleen omdat de Schepper het heeft gewild, Hij die de goedheid zelve is. Het kwaad waardoor de mens lijdt is een bepaald tekort, een begrenzing of ontaarding van het goede. De mens lijdt als het ware wegens een goed dat hij mist, misschien heeft kwijtgespeeld, afgewezen zelfs, zichzelf van berooft. Hij heeft geen deel of maar gebrekkig deel aan het goede waaraan hij normaal deel zou moeten hebben.

Hiermee is je vraag nog niet beantwoord. Waarom het lijden? Wat is de oorzaak? En waartoe, de zin? En de daarmee verwante vraag: Waarom bestaat het kwaad? Vraag die de ene mens aan de ander stelt en sommigen, misschien velen, ook aan God. Uiteraard kunnen daaruit spanningen en conflicten ontstaan in onze relatie met God, vooral bij het zien van zoveel onschuldig lijden. Lees er het verhaal van de onschuldige man Job maar op na. Daaruit blijkt dat in zo’n situatie de zin van het lijden niet zondermeer te verbinden is met straf voor de zonde en alleen gebaseerd op de rechtvaardigheid wegens de beledigingen van God door de mens. De Heer staat de beproeving van het lijden door Job toe om de gerechtigheid van Job te bewijzen. Het lijden heeft het karakter van een beproeving. In het Oude Testament al kun je zien dat lijden als straf voor de zonde wordt overstegen door tegelijkertijd te benadrukken dat lijden als straf een opvoedende waarde heeft. Denk maar aan een straf die een kind bijvoorbeeld krijgt als hij een raam van de buren met zijn voetbal intrapt. Het kind vindt dat niet leuk; de straf doet pijn of is vervelend. Het is echter bedoeld als een correctie en aanmaning om de volgende keer wat voorzichtiger te zijn. Een leerproces. Mooier gezegd; het schept de mogelijkheid het goede in de lijdende persoon te herstellen. Het lijden leidt als het ware tot een ommekeer, een heropbouw van het goede in de mens.

Maar om het ware antwoord op het waarom van het lijden te kunnen vinden moeten we kijken naar de openbaring van de goddelijke liefde, de rijkste bron van de zin van het lijden, dat altijd toch een mysterie blijft. We kunnen het waarom van het lijden alleen ontdekken in de mate dat wij in staat zijn de grootsheid van de goddelijke liefde in te zien, te begrijpen.

In het evangelie volgens Johannes (3,16) staat: “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou hebben”. Dit is de verlossende liefde van God; dat betekent de bevrijding van het kwaad en daarom is het nauw verbonden met de liefde. Christus, de meest volmaakte, de meest onschuldige, heeft het meest zware lijden, zowel lichamelijk als geestelijk, op zich genomen om ons de deur van de hemel op te maken die gesloten was sinds de zonde, de diepe belediging van God door de eerste mens. Het bevrijdt ons van de eeuwige dood. Je kunt hier opnieuw uit concluderen dat in de ogen van God de mens een enorme waardigheid heeft. Er is hier nog meer over te zeggen, maar laat ik het antwoord op deze vraag afsluiten met te zeggen dat de dood voor ieder van ons niet betekent dat we ophouden te bestaan. God is geen God van doden, maar van levenden. Op het einde van de tijd zullen lichaam en ziel weer verenigd worden. Lichaam en ziel behoren horen bij elkaar, op natuurlijke wijze. God heeft het ene voor het andere geschapen.

 
Dat brengt me bij je vraag: Wat is tijd? Ten eerste moet je weten dat ook de tijd geschapen is: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde” (Genesis 1, 1). Voor ons persoonlijk is dat de periode tussen onze conceptie en onze dood. Daarna zijn we in het al-tijd durende “nu”. De tijd is ons gegeven om die periode te gebruiken om te doen waarvoor we bestaan: te werken op aarde om ons te heiligen, dat is: te doen wat we moeten doen en dat goed te doen en daarmee God te dienen en te beminnen en de ander (onze naaste) als onszelf. Dit zowel als het gemakkelijk is, als wanneer het tegenzit. Het is dan dat we de talenten die ieder van ons heeft gekregen moeten laten opbrengen. Zoals we uit persoonlijke ervaring weten is tijd een voorbijgaand iets. Gisteren komt niet meer terug, morgen moet nog komen. De heilige Paulus, ook de apostel van de heidenen genoemd, schreef aan de Korintiërs (1 Kor 7, 29): “Tempus breve est”, vertaald: “De tijd is kort”. Ook Joost van den Vondel dichtte: “De tijd gaat snel, gebruikt hem wel”. Het is onze persoonlijke geschiedenis die we schrijven gedurende de korte periode dat we op aarde zijn.

Daarna, bij onze dood, gaan we over naar dat andere leven dat nooit ophoudt. Eerst volgt nog wat we het bijzonder of particulier oordeel noemen, waar we rekenschap moeten afleggen hoe we onze tijd hebben doorgebracht. Ja, God is oneindig barmhartig, maar ook oneindig rechtvaardig. Hij zal ons of belonen door ons voor eeuwig onvoorstelbaar gelukkig te maken of wijzelf zullen besluiten dat we niet waardig zijn om in zijn glorie te leven en zo onszelf opsluiten in een hel van haat en verdriet waar we nooit meer uitkomen. Lees er de parabel van de tien bruidsmeisjes maar op na (Matteüs 25, 1-13).Vijf hadden de hun gegeven tijd goed hadden gebruikt, de andere vijf niet.


En dan: Wat is een goede samenleving?

Samenleving. Het woord suggereert een samen-zijn, een leven dat niet een ik-ik-ik gerichtheid heeft, een niet-individualistische wereld zoals we dat nu zo vaak zien in de stijl van "ieder voor zich en God voor ons allen", en waarin het antwoord van Kaïn weerklinkt, toen God hem vroeg waar zijn broer Abel was die hij (Kaïn) uit jalousie had vermoord: “Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?” (Genesis 4, 1-12).

De menselijke persoon heeft een sociaal leven nodig. Dat komt niet van buitenaf, het is een eis van zijn natuur. De mens is dus een wezen dat nood heeft aan anderen om als mens te kunnen functioneren, anderen te dienen, te helpen, te proberen te begrijpen ook als die lastig zijn, als die je vervelen. De goede samenleving is dan gebaseerd op de eerbiediging van de menselijke persoon, van de rechten die voortkomen uit zijn waardigheid als schepsel. Zij vormen de grondslag van de morele rechtvaardigheid van elk gezag. Zonder dat te respecteren steunt een samenleving alleen op macht of geweld. Elke mens heeft de plicht de ander als zijn naaste te zien, en zo nodig in de mate dat het hem mogelijk is, te helpen. Dit is nog dringender als de ander hulpbehoevend is. “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringste van mijn broeders heb gij voor Mij gedaan” (Matteüs 25, 40). Een goede samenleving is dan die waar het bovenstaande wordt beleefd, waar goede gewoonten (deugden) worden ontwikkeld en beleefd: zoals rechtvaardigheid, oprechtheid, trouw, verstandigheid (voorzichtigheid), matigheid, vergevingsgezindheid, en een hele reeks meer.

 

Wat is de natuur?

Als je er het Grootwoordenboek van de Nederlandse Taal (van Dale, uitgave 1924 die ik heb geërfd van mijn vader, jouw overgrootvader) op naleest, is het eerste wat er staat “al het geschapene”. Natuur doet mij denken aan de schoonheid van het heelal. De orde en de harmonie van alles wat geschapen is. De mens ontdekt die geleidelijk en doet hem versteld staan. Het is deze schoonheid die de oneindige schoonheid van zijn Schepper zwakjes weergeeft. De mens is het hoogtepunt van het werk van de schepping. We kunnen dat lezen in het verhaal van Genesis, waarin de schepping van de mens duidelijk wordt onderscheiden van die van andere schepselen. De mens is als enige van al wat geschapen is, immers ook geschapen naar het beeld van God.

De mens is ook de beheerder van de natuur waarin hij leeft, woont en werkt; hij is niet de eigenaar. En zoals elke beheerder heeft hij dus ook de plicht een goed beheer te voeren. De natuur op gepaste wijze te ontwikkelen en te gebruiken. “… en onderwerp haar (de aarde), heers over de vissen van de zee, de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt” (Genesis 1, 28).                                                      

 

Lieve Anna, ik hoop dat het niet te zwaar is geworden. Veel succes er mee en groetjes aan Pappa, Mamma, broertjes en zusjes.

Opa

Laatst geupdate op ( maandag 16 juni 2008 )
 
< Vorige   Volgende >

Gebruikers online

Meld u aan/af






Wachtwoord vergeten?
Nog geen account? Maak er één aan!
© 2008 a.s.b.l. DvDoc v.z.w.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.